Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2689

Raad van State

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
BRS.26.001595
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbRichtlijn tijdelijke beschermingUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting na intrekking tijdelijke bescherming

Verzoeker kreeg op 7 februari 2024 te horen dat zijn tijdelijke bescherming op grond van de EU-richtlijn en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 per 5 maart 2024 werd ingetrokken. Tevens werd hij opgedragen de EU binnen vier weken te verlaten. De minister nam op 18 juli 2025 een vervangend terugkeerbesluit. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker tegen deze besluiten op 16 maart 2026 ongegrond.

Verzoeker stelde hoger beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen, opvang en verstrekkingen te ontvangen en zonder tewerkstellingsvergunning te mogen werken. De voorzieningenrechter constateerde dat in hoger beroep alleen het terugkeerbesluit nog in geschil was, niet de intrekking van de tijdelijke bescherming.

De voorzieningenrechter wees het verzoek af voor zover het betrekking had op het behoud van tijdelijke bescherming, maar besloot uitzetting te verbieden totdat het hoger beroep is beslist. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, bestaande uit kosten voor rechtsbijstand door een derde.

Uitkomst: Verzoeker wordt voorlopig niet uitgezet totdat het hoger beroep is beslist, overige verzoeken worden afgewezen en de minister moet proceskosten vergoeden.

Uitspraak

BRS.26.001595
Datum uitspraak: 11 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 16 maart 2026 in zaak nr. NL24.8974 in het geding tussen:
verzoeker
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bepaald dat verzoeker met ingang van 5 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382. De staatssecretaris heeft appellant ook opgedragen om de Europese Unie binnen vier weken na 5 maart 2024 te verlaten.
De minister heeft op 18 juli 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen.
Bij uitspraak van 16 maart 2026 heeft de rechtbank het tegen die besluiten door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Verzoeker heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.        Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist, dat hij opvang en verstrekkingen krijgt en dat hij kan blijven werken zonder tewerkstellingsvergunning.
2.        De voorzieningenrechter constateert dat in hoger beroep niet meer in geschil is of de minister mocht bepalen dat verzoeker geen recht meer had op tijdelijke bescherming. Verzoeker klaagt in hoger beroep alleen over het terugkeerbesluit.
3.        De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af, voor zover verzoeker heeft verzocht dat hij zal worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten, op hem van toepassing blijft.
4.        Het hoger beroep vergt voor het overige nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Gelet daarop en gelet op de belangen die verzoeker naar voren heeft gebracht, treft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist.
5.        De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.        wijst het verzoek voor het overige af;
III.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier.
w.g. De Poorter
voorzieningenrechter
w.g. Huizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026
984