Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2697

Raad van State

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
202601097/2/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 174a GemeentewetArt. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Sluiting woning wegens drugshandel en wapenbezit bevestigd ondanks belangen kinderen

De burgemeester van Nissewaard besloot op 20 november 2025 de woning van verzoeker te sluiten voor drie maanden vanwege de vondst van een revolver, wapenstok, grote hoeveelheden cocaïne en hennep, en contant geld, in strijd met artikel 13b van de Opiumwet. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening, waarbij de rechtbank aanvankelijk de sluiting schorste vanwege de belangen van zijn minderjarige kinderen.

Na een bezwaarafhandeling en een uitspraak van de rechtbank die het beroep van verzoeker ongegrond verklaarde, stelde verzoeker hoger beroep in en vroeg opnieuw om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter van de Raad van State besloot op 16 april 2026 de sluiting voorlopig te schorsen.

Bij de zitting op 30 april 2026 en na nadere vragen aan de burgemeester, oordeelde de voorzieningenrechter dat de belangen van de burgemeester bij het beschermen van het woon- en leefklimaat en het tegengaan van drugshandel zwaarder wegen dan de belangen van verzoeker en zijn kinderen. De voorlopige voorziening werd daarom opgeheven, waardoor de sluiting van de woning voor de resterende drie weken kan plaatsvinden.

De voorzieningenrechter nam mee dat de woning een schakel vormt in drugshandel, mede door de vondst van een grote hoeveelheid harddrugs, een vuurwapen en contant geld, en een recente explosie bij de woning. De burgemeester bood tevens hulp bij het vinden van vervangende woonruimte. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de sluiting van de woning wegens drugshandel en wapenbezit en heft de voorlopige voorziening op.

Uitspraak

202601097/2/A3.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend in Spijkenisse, gemeente Nissewaard,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 10 april 2026 in zaak nr. 26/2082 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de burgemeester van Nissewaard.
Procesverloop
Bij besluit van 20 november 2025 heeft de burgemeester besloten om de woning van [verzoeker] aan de [locatie] in Spijkenisse voor de duur van drie maanden te sluiten.
Bij besluit van 27 februari 2026 heeft de burgemeester het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 april 2026 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Stichting Maasdelta Groep heeft een nader stuk ingediend.
Bij uitspraak van 16 april 2026, zaak nr. 202601097/3/A3, heeft de voorzieningenrechter de burgemeester bij wijze van voorlopige voorziening opgedragen om niet over te gaan tot sluiting van de woning totdat de voorzieningenrechter heeft beslist over de opheffing of wijziging van deze voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 april 2026, waar [verzoeker], bijgestaan door E. Paydaş, rechtsbijstandverlener in Rotterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door J. Bijloo en L. Groenewegen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Stichting Maasdelta Groep, vertegenwoordigd door mr. M.E. Verheijen, advocaat te Rotterdam, als partij gehoord.
Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter het onderzoek heropend en vragen gesteld aan de burgemeester. De burgemeester heeft de vragen beantwoord en [verzoeker] en Maasdelta Groep hebben hierop gereageerd.
Vervolgens heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Waar gaat deze zaak over?
2.       [verzoeker] woont met zijn 17-jarige zoon en 18-jarige dochter in de woning aan de [locatie] in Spijkenisse. Op 17 november 2025 ontving de politie een anonieme melding dat de zoon van [verzoeker] een vuurwapen zou bezitten. Hierop heeft de politie op 19 november 2025 de woning doorzocht. Volgens een bestuurlijke rapportage van de politie zijn daarbij een wapenstok en een revolver in de slaapkamer van [verzoeker] aangetroffen. Verder zijn 149,7 g cocaïne, vier zakjes hennep met een bruto gewicht van 16,1 g, € 3.660,00 contant geld en een mixer met witte residu in de woonkamer aangetroffen. De burgemeester heeft daarom op 20 november 2025 besloten om de woning van [verzoeker] voor drie maanden te sluiten vanwege overtreding van artikel 13b van de Opiumwet.
[verzoeker] heeft daartegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend. Bij uitspraak van 9 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het besluit van 20 november 2025 geschorst tot twee weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar omdat de belangen van met name de kinderen van [verzoeker] zwaarder wegen dan de door de burgemeester gestelde belangen.
Bij het besluit van 27 februari 2026 heeft de burgemeester het door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en besloten om de woning op 5 maart 2026 te sluiten. De burgemeester heeft in het tijdsverloop aanleiding gezien om de totale duur van de sluiting van de woning te matigen tot zes weken. Omdat de woning al 20 dagen dicht was geweest, resteert een periode van drie weken.
Bij uitspraak van 6 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank een ordemaatregel getroffen en het besluit op bezwaar geschorst.
Bij uitspraak van 10 april 2026 heeft de rechtbank het door [verzoeker] ingestelde beroep ongegrond verklaard en de schorsing opgeheven.
3.       [verzoeker] is het daar niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat zijn woning niet wordt gesloten totdat op het hoger beroep is beslist.
4.       Op 14 april 2026 heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter laten weten dat de burgemeester heeft aangekondigd dat zijn woning op 17 april 2026 wordt gesloten.
5.       Bij uitspraak van 16 april 2026 heeft de voorzieningenrechter de burgemeester bij wijze van voorlopige voorziening opgedragen om niet over te gaan tot sluiting van de woning totdat de voorzieningenrechter heeft beslist over de opheffing of wijziging van deze voorlopige voorziening.
Beoordeling van het verzoek
6.       De voorzieningenrechter kan ingevolge artikel 8:86 van Pro de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien deze van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Deze situatie doet zich hier niet voor. De voorzieningenrechter zal daarom met een belangenafweging bepalen of er aanleiding bestaat om de getroffen voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
7.       De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de getroffen voorziening, na afweging van de betrokken belangen, op te heffen. De voorzieningenrechter weegt mee dat de sluiting van de woning voor [verzoeker] en zijn kinderen zwaar is. [verzoeker] heeft ter zitting toegelicht dat zijn kinderen niet bij hun moeder kunnen wonen en dat zijn dochter onder behandeling is van een psycholoog. Verder verkeert [verzoeker] in een moeilijke financiële situatie omdat hij onder bewind staat en van een uitkering op bijstandsniveau leeft. Voorts loopt [verzoeker] door de sluiting van de woning het risico op buitengerechtelijke ontbinding van zijn huurovereenkomst. Hoewel dit zwaarwegende belangen zijn, wegen deze belangen naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op tegen het algemeen belang van de burgemeester bij de bescherming van het woon- en leefklimaat en bij herstel van de openbare orde. Daartoe is het volgende redengevend.
7.1.    Allereerst zijn er voldoende aanwijzingen dat de woning een schakel vormt in de keten van drugshandel. In de woning van [verzoeker] zijn op 19 november 2025 een grote handelshoeveelheid harddrugs en een beperkte hoeveelheid softdrugs, een vuurwapen, een wapenstok en een grote hoeveelheid contant geld aangetroffen. Gelet op de grote handelshoeveelheid harddrugs was de burgemeester in dit geval op grond van artikel 13b van de Opiumwet al bevoegd om de woning te sluiten.
Verder heeft, ondanks het tijdsverloop sinds de vondst van de (hard)drugs, in de nacht van 5 op 6 mei 2026 een explosie bij de woning van [verzoeker] plaatsgevonden. Daarom zijn er voldoende concrete aanwijzingen dat de woning ook op dit moment nog steeds een schakel vormt in de keten van drugshandel. De sluiting van de woning op grond van de Opiumwet voor de resterende duur van drie weken kan daarom ook nu nog bijdragen aan het belang van de burgemeester om de woning door sluiting aan de keten van drugshandel te onttrekken. Dat de burgemeester de woning na de explosie voor de duur van twee weken met spoed heeft gesloten op grond van artikel 174a van de Gemeentewet, maakt dat niet anders. Het doel van die sluiting is een andere dan de sluiting op grond van de Opiumwet.
Tot slot weegt de voorzieningenrechter mee dat de burgemeester [verzoeker] hulp heeft geboden bij het vinden van vervangende woonruimte. De burgemeester heeft namelijk te kennen gegeven dat hij daarvoor contact op kan nemen met medewerkers van "Zorg en Veiligheid".
8.       De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de bij uitspraak van 16 april 2026 getroffen voorziening op te heffen. Dit heeft tot gevolg dat de burgemeester de woning van [verzoeker] mag sluiten voor de resterende duur van drie weken voordat op het hoger beroep is beslist.
9.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
heft de in de uitspraak van 16 april 2026, zaak nr. 202601097/3/A3, getroffen voorlopige voorziening op.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, griffier.
w.g. Daalder
voorzieningenrechter
w.g. Larsson-van Reijsen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
978