Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2703

Raad van State

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
BRS.25.001523
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep minister tegen vernietiging besluit verblijfsvergunning asiel

De minister van Asiel en Migratie had op 25 juni 2025 een aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. De rechtbank Den Haag vernietigde dit besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

In het hogerberoepschrift gaf de minister aan dat de uiterlijke termijn voor overdracht van betrokkene aan Bulgarije was verstreken, waardoor Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. De Afdeling overwoog dat hoewel bestuursorganen belang kunnen hebben bij hoger beroep vanwege precedentwerking, in deze zaak het hoger beroep geen zaaksoverstijgend belang of precedentwerking oplevert.

De Afdeling verwijst naar een recente pilotuitspraak waarin het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Turkse asielzoekers in Bulgarije werd bevestigd. Gezien deze omstandigheden verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt niet-ontvankelijk verklaard en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

BRS.25.001523
Datum uitspraak: 18 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 september 2025 en haar einduitspraak van 8 oktober 2025 in zaak nr. NL25.28274 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 25 juni 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij tussenuitspraak van 4 september 2025 heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om een aan dat besluit klevend gebrek te herstellen.
Bij uitspraak van 8 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraken heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.B. Ullah, advocaat in Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        In zijn hogerberoepschrift heeft de minister laten weten dat de uiterlijke termijn om betrokkene over te dragen aan Bulgarije op 14 november 2025 verstreek. Het staat nu dus vast dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Gelet daarop rijst de vraag of de minister nog belang heeft bij een beoordeling van het hoger beroep.
1.1.        Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1412, onder 5.2, heeft een bestuursorgaan, indien de rechtbank een besluit van dat bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk heeft vernietigd, belang bij het hoger beroep, alleen al wegens de precedentwerking die van die vernietiging kan uitgaan.
1.2.        In deze zaak is de vraag aan de orde of de minister voor Turkse asielzoekers in Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. In haar pilotuitspraak van 20 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2133, heeft de Afdeling deze vraag bevestigend beantwoord. Anders dan de minister aanvoert, werpt het hoger beroep daarom geen rechtsvraag op die moet worden beantwoord wegens zaaksoverstijgend belang of mogelijke precedentwerking in soortgelijke zaken. De minister heeft daarom geen belang bij een beoordeling van zijn hoger beroep.
2.        De Afdeling verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Dijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026
967