Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2705

Raad van State

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
BRS.25.001979
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep minister inzake niet-behandeling asielaanvraag

De minister van Asiel en Migratie had op 8 juli 2025 besloten een asielaanvraag van betrokkene niet in behandeling te nemen. De rechtbank verklaarde dit besluit op 7 november 2025 gegrond en vernietigde het, met de opdracht een nieuw besluit te nemen.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in. Tijdens het hoger beroep werd duidelijk dat de uiterlijke termijn voor overdracht van betrokkene aan Bulgarije was verstreken, waardoor Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Dit maakte de vraag relevant of de minister nog belang had bij het hoger beroep.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister geen belang meer had bij het hoger beroep, mede omdat een eerdere pilotuitspraak het interstatelijk vertrouwensbeginsel bevestigde. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 934,00.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt niet-ontvankelijk verklaard en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

BRS.25.001979
Datum uitspraak: 18 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 7 november 2025 in zaak nr. NL25.30272 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 8 juli 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 7 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. U.H. Hansma, advocaat in Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        In zijn hogerberoepschrift heeft de minister laten weten dat de uiterlijke termijn om betrokkene over te dragen aan Bulgarije op 3 december 2025 verstreek. Het staat nu dus vast dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Gelet daarop rijst de vraag of de minister nog belang heeft bij een beoordeling van het hoger beroep.
1.1.        Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1412, onder 5.2, heeft een bestuursorgaan, indien de rechtbank een besluit van dat bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk heeft vernietigd, belang bij het hoger beroep, alleen al wegens de precedentwerking die van die vernietiging kan uitgaan.
1.2.        In deze zaak is de vraag aan de orde of de minister voor Turkse asielzoekers in Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. In haar pilotuitspraak van 20 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2133, heeft de Afdeling deze vraag bevestigend beantwoord. Anders dan de minister aanvoert, werpt het hoger beroep daarom geen rechtsvraag op die moet worden beantwoord wegens zaaksoverstijgend belang of mogelijke precedentwerking in soortgelijke zaken. De minister heeft daarom geen belang bij een beoordeling van zijn hoger beroep.
2.        De Afdeling verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.I.M. Smid, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Smid
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026
1085