Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2706

Raad van State

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
BRS.25.002601
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep minister in zaak verblijfsvergunning asiel

De minister van Asiel en Migratie had op 18 augustus 2025 besloten om de aanvragen van betrokkenen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De rechtbank Den Haag verklaarde deze besluiten op 16 december 2025 gegrond, vernietigde ze en beval de minister nieuwe besluiten te nemen.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens het hoger beroep gaf de minister aan dat de uiterlijke termijn voor overdracht van de asielzoekers aan Bulgarije op 24 december 2025 was verstreken, waardoor Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvragen.

De Afdeling overwoog dat hoewel een bestuursorgaan doorgaans belang heeft bij hoger beroep vanwege precedentwerking, in deze zaak het hoger beroep geen rechtsvraag met zaaksoverstijgend belang oplevert. De minister heeft daarom geen belang bij de beoordeling van het hoger beroep. De Afdeling verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en bepaalde dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.

Uitspraak

BRS.25.002601
Datum uitspraak: 18 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 december 2025 in zaken nrs. NL25.39270 en NL25.39272 in het geding tussen:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2], mede voor hun minderjarige zoon,
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluiten van 18 augustus 2025 heeft de minister de aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 16 december 2025 heeft de rechtbank de daartegen door betrokkenen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        In zijn hogerberoepschrift heeft de minister laten weten dat de uiterlijke termijn om betrokkenen over te dragen aan Bulgarije op 24 december 2025 verstreek. Het staat nu dus vast dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen. Gelet daarop rijst de vraag of de minister nog belang heeft bij een beoordeling van het hoger beroep.
1.1.        Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1412, onder 5.2, heeft een bestuursorgaan, indien de rechtbank een besluit van dat bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk heeft vernietigd, belang bij het hoger beroep, alleen al wegens de precedentwerking die van die vernietiging kan uitgaan.
1.2.        In deze zaak is de vraag aan de orde of de minister voor Turkse asielzoekers in Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. In haar pilotuitspraak van 20 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2133, heeft de Afdeling deze vraag bevestigend beantwoord. Anders dan de minister aanvoert, werpt het hoger beroep daarom geen rechtsvraag op die moet worden beantwoord wegens zaaksoverstijgend belang of mogelijke precedentwerking in soortgelijke zaken. De minister heeft daarom geen belang bij een beoordeling van zijn hoger beroep.
2.        De Afdeling verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.I.M. Smid, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Smid
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026
1085