ECLI:NL:RVS:2026:2710
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken belang bij verblijfsvergunning asiel
Appellant heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag is bij besluit van 6 januari 2026 niet in behandeling genomen. Appellant heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 29 januari 2026 ongegrond verklaarde.
Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de procedure heeft de minister laten weten dat appellant met onbekende bestemming is vertrokken en dat de gemachtigde van appellant geen contact meer heeft met hem, ondanks de gelegenheid daartoe. De Afdeling concludeert hieruit dat appellant geen bescherming meer zoekt in Nederland en daardoor geen belang meer heeft bij de beoordeling van het hoger beroep.
Op grond hiervan verklaart de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en bepaalt dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 18 mei 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang bij appellant.