AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht in bestuursrechtelijke zaak
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld en beoordeeld of het hoger beroep ontvankelijk is.
Volgens artikel 8:41 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het griffierecht binnen vier weken na mededeling te zijn betaald. Appellanten zijn hierover meerdere malen geïnformeerd, onder meer bij brief van 24 maart 2026 en een aanmaning van 28 april 2026, waarin werd gesteld dat bij niet-betaling het hoger beroep niet-ontvankelijk zou worden verklaard. Appellanten hebben het griffierecht niet betaald en hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het verzuim rechtvaardigen.
De voorzieningenrechter concludeert dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is wegens niet-betaling van het griffierecht. Tevens wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en bepaalt dat het college geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 13 mei 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitspraak
202600833/1/R4 en 202600833/2/R4.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 vanPro die wet, op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], wonend in Doetinchem,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 maart 2026 in zaak nr. 25/4749 in het geding tussen:
[appellanten]
en
het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem.
Procesverloop
[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 20 maart 2026.
Ook hebben [appellanten] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 7 mei 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P.M. Fuijk, is verschenen.
Overwegingen
1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2. De bepalingen van de Awb die in deze zaak van toepassing zijn luiden:
Artikel 8:41, eerste lid: "Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven."
Artikel 8:41, vierde lid: "De griffier deelt de indiener van het beroepschrift mede welk griffierecht is verschuldigd en wijst hem daarbij op het bepaalde in het vijfde en zesde lid."
Artikel 8:41, vijfde lid: "Het griffierecht dient binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort."
Artikel 8:41, zesde lid: "Indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest […]"
Artikel 8:108, eerste lid: "Voor zover in deze titel niet anders is bepaald, zijn op het hoger beroep de titels 8.1 tot en met 8.3 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8:1 tot en met 8:10, 8:41, tweede lid, en 8:74."
3. Een hoger beroep wordt ingevolge artikel 8:41, vierde, vijfde en zesde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb niet-ontvankelijk verklaard als betaling van het griffierecht niet heeft plaatsgevonden binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de indiener van een beroepschrift is gewezen op het moeten betalen van het griffierecht, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4. [appellanten] moeten voor het door hen ingestelde hoger beroep griffierecht betalen. Zij zijn bij brief van 24 maart 2026 hierop gewezen. Nadat was gebleken dat [appellanten] het griffierecht niet hadden betaald, is aan hen bij aangetekend verzonden brief van 28 april 2026 meegedeeld dat het te betalen griffierecht uiterlijk op 12 mei 2026 moet zijn betaald. Ook is vermeld dat, als het te betalen griffierecht niet op de vermelde datum is ontvangen, [appellanten] ervan moeten uitgaan dat alleen al daarom niet-ontvankelijkverklaring zal volgen en dat hun zaak dan niet inhoudelijk wordt behandeld. Bij brief van 5 mei 2026 hebben [appellanten] vermeld waarom zij onder meer deze brief van de Afdeling van 28 april 2026 om principiële redenen retour zenden. Uit de brief van 5 mei 2026 leidt de voorzieningenrechter af dat [appellanten] wel kennis hebben genomen van de inhoud van de brief van de Afdeling van 28 april 2026.
Het griffierecht is niet betaald. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellanten] in verzuim zijn geweest.
5. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
6. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Es, griffier.