ECLI:NL:RVS:2026:2807
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 25 december 2025 is afgewezen. De rechtbank Den Haag verklaarde het daarop ingestelde beroep van verzoeker op 17 april 2026 ongegrond. Verzoeker stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 19 mei 2026 besloten om een voorlopige voorziening te treffen. Dit houdt in dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die verzoeker heeft gemaakt, een bedrag van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De beslissing is genomen met inachtneming van de belangen van partijen en de noodzaak om verzoeker te beschermen tegen uitzetting tijdens de procedure. De uitspraak is gedaan in het openbaar en ondertekend door voorzieningenrechter V.V. Essenburg en griffier M.M. Mercelina.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.