ECLI:NL:RVS:2026:2823
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod na bezwaar en beroep
Appellant kreeg op 18 januari 2024 een besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarbij zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd werd ingetrokken en een inreisverbod tegen hem werd uitgevaardigd. Hiertegen maakte appellant bezwaar, dat op 5 augustus 2025 door de minister ongegrond werd verklaard.
Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, die op 6 februari 2026 het beroep ongegrond verklaarde. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming, noch vragen over Unierecht oproept. Daarom bevestigt de Afdeling de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod worden bevestigd.