ECLI:NL:RVS:2026:2832
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitspraak rechtbank inzake verblijfsvergunning asiel
Betrokkene diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die op 4 maart 2019 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. Een opvolgende aanvraag werd op 25 augustus 2022 ingewilligd, maar de ingangsdatum werd betwist. De minister wees een verzoek tot heroverweging van het oorspronkelijke besluit af op 30 januari 2025.
De rechtbank verklaarde op 3 april 2026 het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het besluit van 25 augustus 2022 voor zover de ingangsdatum op 1 maart 2022 was gesteld, en bepaalde dat de ingangsdatum van de verblijfsvergunning op 3 november 2018 moest worden vastgesteld. Tevens werd het besluit van 30 januari 2025 vernietigd en werd de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoefde uit te voeren totdat het hoger beroep was beslist. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek toegewezen en bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: De voorzieningenrechter bepaalt dat de minister de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.