ECLI:NL:RVS:2026:284

Raad van State

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
202502535/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 4:17 AwbArt. 84 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Raad van State tot kennisneming hoger beroep visum kort verblijf

Appellanten hebben bij besluiten van 1 augustus 2023 een visum voor kort verblijf aangevraagd, welke door de minister zijn afgewezen. Hiertegen maakten zij bezwaar dat op 30 augustus 2024 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde bij uitspraken van 3 april 2025 de beroepen van appellanten ongegrond. Appellanten stelden hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep niet ontvankelijk is omdat het gaat om een visum voor een verblijf van 90 dagen of minder, waartegen op grond van artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 geen hoger beroep openstaat. Het betoog van appellanten dat het hoger beroep wel mogelijk is tegen het oordeel over de dwangsom wordt verworpen, omdat dit oordeel afhankelijk is van het oordeel over het visum en daarmee ook onder het appelverbod valt.

De Afdeling stelt vast dat er geen sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces die het appelverbod zou kunnen doorbreken. Daarom verklaart de Afdeling zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wijst zij het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de afwijzing van het visum voor kort verblijf.

Uitspraak

202502535/1/V2.
Datum uitspraak: 19 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B],
appellanten,
tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 3 april 2025 in zaken nrs. NL24.37812 en NL24.37810 in de gedingen tussen:
appellanten
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
Bij besluiten van 1 augustus 2023 heeft de minister aanvragen om appellanten een visum voor kort verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluiten van 30 augustus 2024 heeft de minister de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraken van 3 april 2025 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraken hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, advocaat in Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het deel van de uitspraken van de rechtbank waar appellanten hoger beroep tegen instellen, gaat over een visum voor een verblijf van 90 dagen of minder. Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder b, van de Vw 2000).
1.1.    Appellanten betogen dat het hoger beroep niet onder het appelverbod valt, omdat het volgens hen mogelijk is om hoger beroep in te stellen tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister geen dwangsom hoeft te betalen voor het overschrijden van de beslistermijn. De Afdeling volgt appellanten niet in hun betoog dat dit een zelfstandig oordeel is waartegen afzonderlijk hoger beroep openstaat. Het oordeel dat de minister geen dwangsom hoeft te betalen, is op grond van artikel 4:17, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Awb afhankelijk van het oordeel dat de minister het bezwaar van appellanten tegen de afwijzing van een visum voor kort verblijf terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Aangezien tegen het oordeel over het visum voor kort verblijf geen hoger beroep openstaat, geldt dat ook voor het daarmee samenhangende oordeel over de dwangsom.
1.2.    Het verbod op hoger beroep kan alleen worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Dat doet zich hier niet voor.
2.       De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Huizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026
987