AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging verlenging bewaringsmaatregel door minister van Asiel en Migratie
De minister van Asiel en Migratie heeft op 4 maart 2026 de termijn van een aan appellant opgelegde bewaringsmaatregel verlengd met maximaal twaalf maanden. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 26 maart 2026 ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen aanleiding gaf tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank had binnen de wettelijke termijn uitspraak gedaan, en er waren geen vragen die de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin betroffen.
De Afdeling zag ook geen reden om de verlenging van de bewaringsmaatregel onrechtmatig te achten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de verlenging van de bewaringsmaatregel en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 maart 2026 in zaak nr. NL26.12397 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 4 maart 2026 heeft de minister de termijn van de aan appellant opgelegde bewaringsmaatregel verlengd met ten hoogste twaalf maanden.
Bij uitspraak van 26 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Door op 26 maart 2026 schriftelijk uitspraak te doen, heeft de rechtbank binnen de in artikel 94, vijfde lid, van de Vw 2000 gestelde termijn van zeven dagen na sluiting van het onderzoek op 20 maart 2026 uitspraak gedaan. Hoewel voornoemde bepaling zal moeten worden gewijzigd vanwege artikel 11 vanPro de hernieuwde Opvangrichtlijn (Richtlijn (EU) 2024/1346), is de nieuwe voorgestelde bepaling op dit moment nog niet van toepassing.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.