Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbRichtlijn tijdelijke beschermingUitvoeringsbesluit (EU 2022/382)Uitvoeringsbesluiten (EU 2022/383 en EU 2025/1460)
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging tijdelijke bescherming en uitzetting
Verzoeker had een tijdelijke beschermingsstatus op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming en het Uitvoeringsbesluit (EU 2022/382). Bij besluit van 21 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid deze tijdelijke bescherming beëindigd met ingang van 5 maart 2024 en verzoeker opgedragen de EU binnen vier weken te verlaten.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij niet zou worden uitgezet, opvang en verstrekkingen zou ontvangen en zonder tewerkstellingsvergunning mocht blijven werken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en verzoeker ging in hoger beroep.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de rechtbankuitspraak zou worden vernietigd en wees het verzoek om behandeling alsof de tijdelijke bescherming nog van kracht is af. Wel werd de voorlopige voorziening getroffen dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist, maar het verzoek om overige voorlopige voorzieningen wordt afgewezen.
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 31 maart 2026 in zaak nr. NL24.8841 in het geding tussen:
verzoeker
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 21 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bepaald dat verzoeker met ingang van 5 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU 2022/382). De staatssecretaris heeft verzoeker ook opgedragen om de Europese Unie binnen vier weken na 5 maart 2024 te verlaten.
De minister heeft op 4 juli 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen.
Bij uitspraak van 31 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist, dat hij opvang en verstrekkingen krijgt en dat hij kan blijven werken zonder tewerkstellingsvergunning.
2. Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd ten aanzien van het oordeel dat de minister de tijdelijke bescherming voor verzoeker mocht beëindigen.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af, voor zover verzoeker heeft verzocht dat hij zal worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten (EU 2022/383 en EU 2025/1460), op hem van toepassing blijft. Dit betekent dat verzoeker niet op basis van dit recht in aanmerking komt voor opvang en verstrekkingen en dat hij niet mag blijven werken zonder tewerkstellingsvergunning.
4. Het hoger beroep vergt voor het overige nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Gelet daarop en gelet op de belangen die verzoeker naar voren heeft gebracht, treft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist.
5. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II. wijst het verzoek voor het overige af;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. K. Veen, griffier.