ECLI:NL:RVS:2026:2866
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen beëindiging tijdelijke beschermingsstatus
Appellant was op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming van 4 maart 2022 beschermd, maar de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 15 april 2024 bepaald dat dit recht op bescherming op 4 maart 2024 is geëindigd. Tevens werd appellant opgedragen de EU/EER binnen vier weken te verlaten.
Appellant stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 6 februari 2026 ongegrond verklaarde. Hiertegen stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat appellant niet heeft toegelicht waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn, waardoor geen inhoudelijk oordeel kan worden gegeven. Het hoger beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een gemotiveerd verweer.