Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2866

Raad van State

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
BRS.26.001094
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 85 Vw 2000Richtlijn tijdelijke bescherming 4 maart 2022
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen beëindiging tijdelijke beschermingsstatus

Appellant was op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming van 4 maart 2022 beschermd, maar de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 15 april 2024 bepaald dat dit recht op bescherming op 4 maart 2024 is geëindigd. Tevens werd appellant opgedragen de EU/EER binnen vier weken te verlaten.

Appellant stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 6 februari 2026 ongegrond verklaarde. Hiertegen stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelt dat appellant niet heeft toegelicht waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn, waardoor geen inhoudelijk oordeel kan worden gegeven. Het hoger beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een gemotiveerd verweer.

Uitspraak

BRS.26.001094
Datum uitspraak: 22 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 6 februari 2026 in zaak nr. NL24.17016 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 15 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bepaald dat op 4 maart 2024 het recht op bescherming is geëindigd dat appellant genoot op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming van 4 maart 2022. De staatssecretaris heeft appellant ook opgedragen om de EU/EER binnen vier weken te verlaten.
Bij uitspraak van 6 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. V.M. Oliana, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Appellant legt namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van Pro de Vw 2000).
2.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026
574-1034