ECLI:NL:RVS:2026:2895
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering teruggave visvergunningen na intrekking wegens visverbod in IJmuiden
De minister van Landbouw, Natuur en Visserij heeft het verzoek van appellant om teruggave van in 2011 ingetrokken visvergunningen afgewezen. Dit volgde op een visverbod sinds 1 april 2011 in bepaalde wateren, waaronder de havens van IJmuiden, vanwege overschrijding van normen voor dioxine en PCB.
Appellant beschikte over vergunningen voor vissen met vaste vistuigen in IJmuiden, die in 2011 werden ingetrokken. Het verbod kon pas worden opgeheven nadat in twee opeenvolgende kalenderjaren de contaminantenwaarden onder de norm waren gekomen. In 2023 en 2024 werden monsters genomen die voldeden aan de norm, waarna het verbod in oktober 2025 werd opgeheven en een nieuwe vergunning per 1 januari 2026 werd verleend.
De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de meetmethoden onzorgvuldig waren of dat het verbod eerder had moeten worden opgeheven. In hoger beroep betoogde appellant dat de metingen eerder en op andere locaties hadden moeten plaatsvinden, maar de Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de Beleidsregel en het bemonsteringsprotocol dit niet voorschrijven en dat het verbod terecht pas in 2025 kon worden opgeheven.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot teruggave van de visvergunningen wordt bevestigd.