ECLI:NL:RVS:2026:2934
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning regulier en EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen
Appellanten hebben bij besluiten van december 2024 en februari 2025 aanvragen ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, welke door de minister van Asiel en Migratie zijn afgewezen. De daaropvolgende bezwaren en beroepen bij de rechtbank werden eveneens ongegrond verklaard.
In hoger beroep klaagden appellanten over het standpunt van de minister dat geen vrijstelling van het middelenvereiste geldt. De Raad van State oordeelt dat appellanten niet concreet hebben aangetoond dat de afwijzing leidt tot onevenredige gevolgen, noch dat er vergelijkbare situaties zijn waarin een vreemdeling wel een verblijfsvergunning heeft verkregen zonder het middelenvereiste.
De Raad ziet geen noodzaak om prejudiciële vragen te stellen over relevante EU-richtlijnen, omdat deze niet nodig zijn voor de oplossing van de zaak. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunningaanvragen en verklaart het hoger beroep ongegrond.