Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2936

Raad van State

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
202407482/1/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 AwbArt. 8:69a AwbArt. 2.8.7 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging inpassingsplan uitbreiding transformatorstation Breukelen Kortrijk wegens onjuiste m.e.r.-beoordeling

De Raad van State behandelde beroepen tegen het besluit van 2 oktober 2024 waarbij provinciale staten van Utrecht het inpassingsplan voor de uitbreiding van het transformatorstation Breukelen Kortrijk vaststelden.

Appellanten sub 2 voerden aan dat het plan hun woon- en leefklimaat aantast door een drastische verandering van het uitzicht en een te ruime termijn voor landschappelijke inpassing. De Raad oordeelde dat het zicht beperkt is door afstand en tussenliggende bebouwing, en dat de termijn van vijf jaar voor landschappelijke inpassing redelijk is vastgesteld. Dit beroep werd ongegrond verklaard.

KoeiEnzo B.V. en appellante sub 1 stelden dat hun belang onvoldoende was meegewogen, dat het plan onjuiste weergave van hoogspanningsverbindingen bevatte en dat de m.e.r.-beoordeling onjuist was. De Raad vond dat het belang van KoeiEnzo terecht ondergeschikt was aan het oplossen van netcongestie, dat de kaart te grofmazig was om strijd met het Barro aan te tonen, maar dat het ontbreken van een expliciet m.e.r.-beoordelingsbesluit een gebrekkige procedurele handeling was. Daarom werd het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand omdat later alsnog een m.e.r.-beoordelingsbesluit werd genomen zonder dat dit onjuist werd bevonden.

De Raad veroordeelde provinciale staten tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan KoeiEnzo en appellante sub 1.

Uitkomst: Het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan is vernietigd wegens een onjuiste m.e.r.-beoordeling, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

202407482/1/R4.
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) in het geding tussen:
1.       KoeiEnzo B.V. en [appellante sub 1], beide gevestigd in Breukelen, gemeente Stichtse vecht,
2.       [appellanten sub 2], beiden wonend in Breukelen, gemeente Stichtse vecht,
appellanten,
en
de provinciale staten van Utrecht,
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 20 mei 2026 om 12:45 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.A. Minderhoud, voorzitter
griffier: mr. J. van den Brink
Verschenen:
KoeiEnzo B.V. en [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde A], bijgestaan door mr. R.H. de Kamper, rechtsbijstandverlener in Leusden;
Provinciale staten van Utrecht, vertegenwoordigd door mr. N. Haireche en mr. V.A.C. de Gier, advocaten in Rotterdam, bijgestaan door ing. M. van Gessel;
TenneT Tso B.V.; vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door [drie gemachtigden].
De beroepen richten zich tegen het besluit van 2 oktober 2024, waarbij provinciale staten het inpassingsplan "Uitbreiding transformatorstation Breukelen Kortrijk 380-150 kV" hebben vastgesteld.
De Afdeling
I.        verklaart het beroep van [appellanten sub 2] ongegrond;
II.       verklaart het beroep van KoeiEnzo B.V. en [appellante sub 1] gegrond;
III.      vernietigt het besluit van provinciale staten van Utrecht van 2 oktober 2024 tot vaststelling van het inpassingsplan "Uitbreiding transformatorstation Breukelen Kortrijk 380-150 kV";
IV.      bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;
V.       veroordeelt provinciale staten van Utrecht tot vergoeding van de bij KoeiEnzo B.V. en [appellante sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag € 1.905,25, waarvan € 1.868,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 37,25 is toe te rekenen aan reiskosten, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VI.      gelast dat provinciale staten van Utrecht aan KoeiEnzo B.V. en [appellante sub 1] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 371,00 vergoeden, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Gronden:
Het beroep van [appellanten sub 2] (in enkelvoud: [appellant sub 2])
[appellant sub 2] betoogt dat het inpassingsplan zorgt voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Door de uitbreiding van het transformatorstation verandert het uitzicht drastisch. Daar komt bij dat volgens [appellant sub 2] in het plan een te ruime termijn is opgenomen voor de realisering van de landschappelijke inpassing en er ten onrechte geen plantafstand is opgenomen.
Met het inpassingsplan wordt de uitbreiding van het transformatorstation Breukelen Kortrijk mogelijk gemaakt. In artikel 8 van Pro de planregels is de uitvoering van het landschapsplan als voorwaardelijke verplichting opgenomen met een termijn van vijf jaar. In hun verweerschrift hebben provinciale staten toegelicht dat vanwege de voorbelasting van grond het groen in eerste instantie slechts gedeeltelijk kan worden gerealiseerd. Daarom hebben provinciale staten niet voor een kortere termijn gekozen. De Afdeling is van oordeel dat provinciale staten in redelijkheid voor een termijn van vijf jaar konden kiezen. Verder constateert de Afdeling dat het landschapsplan, anders dan [appellant sub 2] veronderstelt, op pagina 46, een plantafstand bevat. Het betoog slaagt dus in zoverre niet.
Over het zicht overweegt de Afdeling dat [appellant sub 2] vanaf zijn perceel en woning aan [locatie A] in Breukelen slechts beperkt zicht heeft op het plangebied. De kortste afstand tussen het agrarische perceel en het plangebied is ongeveer 260 m en de kortste afstand tussen de woning en het plangebied is ongeveer 300 m. Deze afstanden zijn gemeten aan de hand van de verbeelding en niet aan de hand van de visualisaties van TenneT. Gelet op deze afstanden, de maximale bouwhoogte van 26,5 m en de verregaande belemmering van het zicht door tussenliggende bebouwing en bomen, is het zicht van zeer geringe betekenis. Alleen al daarom hebben provinciale staten zich op het standpunt mogen stellen dat de bouw van het transformatorstation niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2].
Het betoog slaagt ook in zoverre niet. Omdat het betoog niet slaagt, spreekt de Afdeling zich niet uit over de vraag of het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg zou hebben gestaan.
Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.
Het beroep van KoeiEnzo B.V. en [appellante sub 1]
De Afdeling stelt vast dat KoeiEnzo B.V. en [appellante sub 1] samen een beroepschrift hebben ingediend. De Afdeling zal hen verder aanduiden als KoeiEnzo. Uit de bewoordingen van dit beroepschrift blijkt dat het beroepschrift niet ook is ingediend namens [gemachtigde A]. Dit is op zitting ook bevestigd door KoeiEnzo. Voor zover KoeiEnzo gronden heeft aangevoerd over het woon- en leefklimaat van [gemachtigde A], zoals betogen over de goede landschappelijke inpassing, strekt de norm van een goede ruimtelijke ordening zich niet tot de bescherming van de belangen van KoeiEnzo. Op grond van artikel 8:69a van de Awb kunnen de beroepsgronden van KoeiEnzo die gaan over het woon- en leefklimaat van [gemachtigde A] niet tot vernietiging leiden.
KoeiEnzo betoogt dat haar belang niet of niet voldoende is meegewogen. Binnen het plangebied is landbouwgrond van KoeiEnzo gelegen. Als het transformatorstation wordt uitgebreid, betekent dit dat KoeiEnzo landbouwareaal zal verliezen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het belang van KoeiEnzo onvoldoende is meegewogen. Zonder de uitbreiding van het transformatorstation kan de bestaande netcongestie niet opgelost worden. Deze netcongestie leidt inmiddels tot ernstige problemen voor bewoners en bedrijven in de provincie Utrecht. Tot op het niveau van individuele huishoudens. Gelet hierop hebben provinciale staten het belang van de uitbreiding van het transformatorstation zwaarder mogen wegen dan de belangen van KoeiEnzo.
KoeiEnzo betoogt verder dat de tracés van de hoogspanningsverbindingen, in strijd met artikel 2.8.7, eerste lid, van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), verkeerd en onvolledig zijn weergegeven op de verbeelding. Een deel van de doorgaande 380 kV-lijn ontbreekt ten opzichte van de voorgaande situatie en er is nu een knik in de lijn ingetekend die er vroeger niet was. De Afdeling is van oordeel dat uit bijlage 5 bij het Barro, waarnaar wordt verwezen, niet kan worden afgeleid dat het tracé ter hoogte van het transformatorstation in strijd met artikel 2.8.7, eerste lid, van het Barro is ingetekend. Daarvoor is de kaart in die bijlage te grofmazig.
KoeiEnzo betoogt tot slot dat de vormvrije m.e.r.-beoordeling onjuist is. Verschillende aspecten zijn volgens KoeiEnzo niet onderzocht. Met een toelichting van Movares van 25 februari 2025 hebben provinciale staten uitgelegd op welke wijze deze aspecten bij de m.e.r.-beoordeling zijn betrokken. Provinciale staten hebben echter ook onderkend dat er ten onrechte geen expliciet m.e.r.-beoordelingsbesluit is genomen. Daarom slaagt het betoog, is het beroep gegrond en moet het besluit van 2 oktober 2024 worden vernietigd.
Provinciale staten hebben op 19 maart 2025 alsnog een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen en zich op het standpunt gesteld dat een milieueffectrapportage niet is vereist. KoeiEnzo heeft geen redenen aangevoerd waarom dat standpunt onjuist is. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van 2 oktober 2024 in stand te laten.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van den Brink
griffier
1069