Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2942

Raad van State

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
BRS.26.002283
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitvoering rechtbankuitspraak inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel

De minister van Asiel en Migratie heeft op 15 april 2025 besluiten genomen waarbij de aanvragen van betrokkenen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd werden afgewezen. Tegen deze besluiten hebben betrokkenen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen. Op 10 april 2026 heeft de rechtbank deze beroepen gegrond verklaard, de besluiten vernietigd en de minister opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de uitspraak.

De minister heeft hiertegen hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en tegelijkertijd verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de beoordeling van het hoger beroep nader onderzoek vereist en dat de procedure voor een voorlopige voorziening niet geschikt is voor een inhoudelijke beoordeling.

Gelet op de belangen van beide partijen heeft de voorzieningenrechter besloten dat de minister de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Tevens is bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.

Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

BRS.26.002283
Datum uitspraak: 26 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 10 april 2026 in zaken nrs. NL25.44971 en NL25.44972 in het geding tussen:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluiten van 15 april 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 10 april 2026 heeft de rechtbank de daartegen door betrokkenen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkenen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2.        De beoordeling van de grief vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom en gelet op de belangen die de minister en betrokkenen naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.        De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Koelman, griffier.
w.g. Stoové
voorzieningenrechter
w.g. Koelman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026
1021