ECLI:NL:RVS:2026:2951
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende onderzoek naar vervolgingsrisico
Appellant diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 11 februari 2025 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat uit de beschikbare landeninformatie over Iran geen eenduidig beeld volgt over de situatie van afvalligen en atheïsten, ook niet wanneer deze hun overtuigingen terughoudend uiten. De minister had daarom niet zonder nader onderzoek mogen aannemen dat appellant geen gegronde vrees voor vervolging had. Dit verweer van appellant slaagde.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de minister, en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moet nemen waarbij rekening wordt gehouden met de actuele feiten en omstandigheden. Verder werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van de minister wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit met inachtneming van het vervolgingsrisico.