Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2973

Raad van State

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
202405921/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende onderzoek afvalligheid

Appellant verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 13 juni 2024 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond op 18 september 2024. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had onderzocht of de afvalligheid of toegedichte afvalligheid van appellant geloofwaardig was, zoals vereist volgens eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2022:94). Hierdoor was het besluit van de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd en onjuist.

De Afdeling vernietigde zowel het besluit van 13 juni 2024 als de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep gegrond. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit waarbij de minister de geloofwaardigheid van de afvalligheid moet onderzoeken en beoordelen in samenhang met eerdere ervaringen van appellant in Iran en zijn aanwezigheid bij demonstraties in Nederland.

De Afdeling wees tevens op de relevante uitspraak van 12 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1326) en bepaalde dat de minister de proceskosten van € 2.802,00 aan appellant moet vergoeden. Het hogerberoepschrift riep geen vragen op over Unierechtelijke bepalingen.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit met een zorgvuldige beoordeling van de geloofwaardigheid van afvalligheid.

Uitspraak

202405921/1/V2.
Datum uitspraak: 27 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 18 september 2024 in zaak nr. NL24.25133 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 13 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 18 september 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.C.M. van der Mark, advocaat in Goes, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       In de uitspraak van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:94, heeft de Afdeling overwogen dat afvalligheid in het kader van die uitspraak betekent dat een vreemdeling zich heeft afgewend van het geloof waarmee hij is opgegroeid, dat hij eerder heeft aangehangen of waarbij hij in de ogen van zijn sociale omgeving of de overheid aangesloten behoort te zijn. Ook een vreemdeling die nooit heeft geloofd in het geloof waarmee hij is opgegroeid, kan dus afvallig zijn of als afvallige worden gezien. De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister in dit geval de geloofwaardigheid van de gestelde afvalligheid dan wel toegedichte afvalligheid ten onrechte niet volgens de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling heeft onderzocht en beoordeeld. De eerste twee grieven slagen.
2.       Het hoger beroep is alleen al hierom gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 13 juni 2024. Het is niet nodig wat appellant verder in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd te bespreken. De minister moet namelijk een nieuw besluit nemen waarbij hij onderzoekt of de afvalligheid, dan wel toegedichte afvalligheid, geloofwaardig is. Vervolgens moet de minister opnieuw beoordelen of de al dan niet geloofwaardige (toegedichte) afvalligheid in combinatie met de eerdere ervaringen van appellant bij zijn werkgever in Iran en de aanwezigheid van appellant bij demonstraties in Nederland maakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer. De minister zal daarbij rekening moeten houden met de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1326. De Afdeling oordeelt verder dat het hogerberoepschrift geen vragen oproept over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 18 september 2024 in zaak nr. NL24.25133;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.     vernietigt het besluit van 13 juni 2024, 291.854.8684;
V.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.C.S. Heinen, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Heinen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026
984