ECLI:NL:RVS:2026:2975
Raad van State
- Verzet
- J.F. de Groot
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring hoger beroep tegen uitspraken rechtbank en brief
In deze zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het hoger beroep van opposant tegen uitspraken van de rechtbank Den Haag en een brief van de rechtbank. Tegen deze onbevoegdverklaring is verzet ingesteld.
De Afdeling heeft onderzocht of zij terecht heeft geoordeeld dat zij niet bevoegd is en of daarover geen twijfel bestaat. De Afdeling overweegt dat de uitspraken van de rechtbank waartegen hoger beroep is ingesteld, wettelijk zijn uitgesloten van hoger beroep. Ook kwalificeert de brief van de rechtbank niet als een besluit waartegen beroep openstaat. Dit vloeit voort uit wettelijke bepalingen en de aard van de rechtbank als niet-bestuursorgaan.
Opposant stelde dat de brief wel een materiële beslissing met rechtsgevolg is en dat hem daardoor een rechtsmiddel wordt ontnomen. Ook voerde hij aan dat de rechtbank de werking van artikel 6:20, derde lid, Awb heeft miskend, waardoor geen eerlijk proces zou hebben plaatsgevonden. De Afdeling verwierp deze betogen en oordeelde dat het appèlverbod niet doorbroken hoeft te worden.
De Afdeling concludeert dat de onbevoegdverklaring terecht is en dat het verzet ongegrond is. Het hoger beroep wordt daarom niet inhoudelijk behandeld en de proceskosten worden niet vergoed.
Uitkomst: Het verzet tegen de onbevoegdverklaring wordt ongegrond verklaard en het hoger beroep wordt niet inhoudelijk behandeld.