Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2999

Raad van State

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
BRS.26.002356
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitvoering vernietigend vonnis visumaanvraag

De minister van Buitenlandse Zaken wees op 17 januari 2023 een aanvraag voor een faciliterend visum af. Betrokkene maakte bezwaar, dat op 24 juni 2025 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond op 16 april 2026, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit moest nemen.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoefde uit te voeren totdat het hoger beroep was beslist. Betrokkene gaf een schriftelijke reactie.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank in stand zou blijven en gaf daarom de voorlopige voorziening toe. Tevens werd bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.

Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

BRS.26.002356
Datum uitspraak: 28 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Buitenlandse Zaken,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 16 april 2026 in zaak nr. NL25.32485 in het geding tussen:
[betrokkene]
en de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 17 januari 2023 heeft de minister een aanvraag om betrokkene een faciliterend visum te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 24 juni 2025 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.H. van der Linden, advocaat in Almelo, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2.        Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft. Daarom en gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft hij een voorlopige voorziening.
3.        De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Buitenlandse Zaken geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. De Poorter
voorzieningenrechter
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026
392