ECLI:NL:RVS:2026:3001
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf
De zaak betreft een verzoek van de minister van Asiel en Migratie om een voorlopige voorziening te treffen tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 april 2026. De rechtbank had het beroep van betrokkene tegen een besluit van de minister gegrond verklaard en het besluit vernietigd, met de opdracht een nieuw besluit te nemen.
De minister had eerder een aanvraag van betrokkene om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. Na eerdere procedures en vernietigingen door de rechtbank, was het nieuwe besluit van de minister opnieuw aangevochten en vernietigd.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het hoger beroep nader onderzoek vergt en dat de procedure voor een voorlopige voorziening geschikt is om te voorkomen dat de uitspraak van de rechtbank direct wordt uitgevoerd. Daarom wordt de voorlopige voorziening toegekend, zodat de minister de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.
De voorzieningenrechter bepaalt tevens dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J.J.W.P. van Gastel op 28 mei 2026.
Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.