BRS.25.001052
Datum uitspraak: 29 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant 1] en [appellant 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 17 juli 2025 in zaken nrs. NL24.28766 en NL24.31658 in het geding tussen:
[appellant1] en [appellant 2]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 22 november 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellanten verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.
Bij besluiten van 27 februari 2024 heeft de staatssecretaris aanvragen van appellanten om hun een EU‑verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen te verlenen, afgewezen.
Bij besluiten van 20 juni 2024 en 23 juli 2024 heeft de staatssecretaris de tegen de besluiten van 22 november 2023 en 27 februari 2024 door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 juli 2025 heeft de rechtbank de door appellanten ingestelde beroepen tegen de besluiten van 20 juni 2024 en 23 juli 2024 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. D. Karasahin, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De minister heeft de verblijfsvergunningen van appellanten met terugwerkende kracht ingetrokken voor de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023. Appellanten betogen in de derde grief tevergeefs dat zij in die periode een formeel beperkt verblijfsrecht hadden, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn langdurig ingezetenen. In die periode voldeden appellanten immers niet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf en vielen zij niet onder de in paragraaf D1/2.2 van de Vc 2000 genoemde gevallen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit artikel 4, eerste lid, van de Richtlijn langdurig ingezetenen niet volgt dat in dat geval sprake kan zijn van een verblijfsrecht dat formeel beperkt van aard is. De Afdeling verwijst daartoe naar het arrest van het Hof van Justitie van 18 oktober 2012, Mangat Singh, ECLI:EU:C:2012:636, punten 39 en 40.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. De grief slaagt niet.
2. Wat appellanten in de overige grieven hebben aangevoerd leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat die grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roepen die grieven geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Van Dijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026
967