ECLI:NL:RVS:2026:3003
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- B. Meijer
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunningen en afwijzing EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen
Appellanten hadden hun verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd ingetrokken gekregen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid met terugwerkende kracht van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023. Tevens werden hun aanvragen voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen afgewezen. De rechtbank had deze besluiten en de daarop volgende bezwaren ongegrond verklaard.
In hoger beroep betoogden appellanten onder meer dat zij in de intrekkingsperiode een formeel beperkt verblijfsrecht hadden op grond van de Richtlijn langdurig ingezetenen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat dit niet het geval was, verwijzend naar relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder het arrest Mangat Singh. Er was geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
De overige grieven van appellanten werden niet inhoudelijk behandeld omdat zij geen vragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunningen en afwijzing van de EU-verblijfsvergunningen worden bevestigd.