ECLI:NL:RVS:2026:3010
Raad van State
- Hoger beroep
- J.F. de Groot
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen uitkeringsbesluiten Schadefonds Geweldsmisdrijven inzake psychisch letsel
Appellante diende drie aanvragen in voor uitkeringen uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven, betrekking hebbend op twee zedenmisdrijven uit de jaren ’90 en huiselijk geweld tussen 2009 en 2014. De Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) kende aanvankelijk een gecombineerde uitkering toe voor de eerste twee misdrijven en een aparte uitkering voor het derde misdrijf. Na bezwaar en medisch advies werd de uitkering verhoogd tot een totaalbedrag van € 20.000,00, waarbij verrekening plaatsvond van eerder ontvangen bedragen.
De rechtbank Noord-Nederland vernietigde de besluiten van de CSG en beval heroverweging. In hoger beroep betoogde appellante dat voor elk misdrijf afzonderlijk een uitkering moest worden toegekend en dat de CSG onterecht een gecombineerde uitkering had vastgesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de CSG terecht één uitkering heeft toegekend omdat het psychisch letsel niet aan afzonderlijke misdrijven kon worden toegerekend en dat het beleid van de CSG dit toestaat.
Verder werd overwogen dat de CSG voldoende gemotiveerd heeft waarom letselcategorie 5 passend is en niet categorie 6, ondanks langdurige behandeling en beperkingen. Het beroep tegen het besluit van 5 december 2025, waarin een aanvullende uitkering werd toegekend, werd eveneens ongegrond verklaard. De Afdeling concludeert dat de CSG geen proceskosten hoeft te vergoeden en verklaart het hoger beroep en het beroep tegen het laatste besluit ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep en het beroep tegen het besluit van 5 december 2025 zijn ongegrond verklaard, waarmee de uitkeringsbesluiten van de CSG zijn bekrachtigd.