ECLI:NL:RVS:2026:3038
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep bestuursrecht over bestuursdwang en naheffingsaanslag parkeerbelasting
In deze zaak staat de toepassing van bestuursdwang door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam centraal, waarbij het voertuig van appellante werd weggesleept en de kosten op haar werden verhaald. Daarnaast speelt een procedure over een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de directeur Belastingen van Rotterdam.
Appellante maakte bezwaar tegen het bestuursdwangbesluit en tegen de naheffingsaanslag. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestuursdwangbesluit niet-ontvankelijk omdat het beroep niet tijdig was ingesteld tegen het besluit op bezwaar. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt echter vast dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit van rechtswege ook betrekking had op het latere besluit op bezwaar, waardoor de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk verklaarde.
De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank, verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk omdat het college inmiddels inhoudelijk heeft beslist, en verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar ongegrond. Tevens wijst de Afdeling een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim zeven maanden en veroordeelt het college en de Staat tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit op bezwaar ongegrond verklaard en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend.