ECLI:NL:RVS:2026:3044
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.O. van Veldhuizen
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen kosten bestuursdwang voor verkeerd aanbieden afval naast volle ORAC
Appellante bood op 13 oktober 2025 een kartonnen doos met huishoudelijk afval verkeerd aan door deze naast een ondergrondse papiercontainer (ORAC) te plaatsen in Rotterdam. Het college stelde vast dat dit in strijd was met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 en het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen Rotterdam 2018, en paste daarop spoedeisende bestuursdwang toe door de doos te verwijderen. De kosten van €192 werden aan appellante opgelegd.
Appellante betwistte niet dat de doos van haar afkomstig was, maar voerde aan dat de ORAC vol was en dat de instructies onduidelijk waren omdat de sticker aan de straatzijde en niet aan de gebruikerszijde was aangebracht. Zij stelde dat het bedrag een te hoge druk op haar beperkte budget legde.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het verboden is afval naast een inzamelvoorziening te plaatsen en dat appellante haar afval op een ander moment of bij een andere voorziening had moeten aanbieden. De beschikbaarheid van een andere ORAC op loopafstand en de bekendheid met de regels, onder meer via de gemeentelijke website, maakten dat appellante verantwoordelijk bleef. Ook de financiële situatie van appellante vormde geen reden om de kosten niet aan haar toe te rekenen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het college hoefde geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 27 mei 2026.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de kosten van bestuursdwang wegens verkeerd aanbieden van afval naast een volle ORAC wordt ongegrond verklaard en de kosten blijven voor haar rekening.