ECLI:NL:RVS:2026:3049
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- J.M. Willems
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belangenafweging gezinshereniging jongvolwassene met economisch belang Nederland
Appellant, een meerderjarige zoon van een referent die in Nederland verblijft, vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan, welke werd afgewezen door de minister. De minister erkende het bestaan van familie- en gezinsleven tussen appellant en zijn moeder, maar verrichtte een belangenafweging waarbij het economisch belang van Nederland zwaar woog. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling bevestigde dat er een op jongvolwassenen toegespitst beleid bestaat en dat het economisch belang van Nederland niet alleen de kosten van levensonderhoud omvat, maar ook de bescherming van de arbeidsmarkt en voorzieningen zoals onderwijs en zorg. De minister mag dit belang meewegen, maar niet categorisch als doorslaggevend beschouwen zonder individuele omstandigheden te betrekken.
De Afdeling oordeelde dat de minister in deze zaak een geïndividualiseerde belangenafweging heeft gemaakt, waarbij onder meer werd meegewogen dat appellant gebruik zal maken van voorzieningen en zich op de arbeidsmarkt zal begeven, maar ook dat de referent een eigen inkomen en voldoende huisvesting heeft. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die een andere uitkomst rechtvaardigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf bevestigd.