ECLI:NL:RVS:2026:3077

Raad van State

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
BRS.26.000381
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. den Heyer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArt. 6:24 AwbArt. 6:20, vierde lid, AwbAfdeling 4 hoofdstuk 7 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet tijdig besluit asielaanvraag

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank Den Haag verklaarde dit beroep op 23 december 2025 ongegrond omdat de minister toen nog geen besluit had genomen.

In hoger beroep stelt appellant dat het niet tijdig nemen van het besluit onrechtmatig is, maar de minister heeft op 9 april 2026 alsnog een besluit genomen, waarbij de aanvraag is afgewezen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het hoger beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit daardoor niet-ontvankelijk is geworden.

De Afdeling veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant en verwijst het beroep tegen het besluit van 9 april 2026 naar de rechtbank Den Haag, die gespecialiseerd is in asielzaken en waartegen hoger beroep openstaat. Hiermee wordt de juiste procedurele route gewaarborgd en wordt recht gedaan aan de wettelijke functies van de bestuursrechterlijke instanties.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het latere besluit is verwezen naar de rechtbank Den Haag.

Uitspraak

BRS.26.000381
Datum uitspraak: 1 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 december 2025 in zaak nr. NL25.39746 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 23 december 2025 heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 9 april 2026 heeft de minister de aanvraag van appellant afgewezen.
Appellant is in de gelegenheid gesteld om zich nader uit te laten.
Overwegingen
1.        Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op zijn asielaanvraag van 5 januari 2024. Dat heeft de minister bij het besluit van 9 april 2026 alsnog gedaan. Wat appellant aanvoert, levert geen belang op voor het beoordelen van zijn hoger beroep.
2.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De Afdeling ziet aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen. Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Het besluit van 9 april 2026
3.        Het besluit van 9 april 2026 wordt, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van Pro de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
4.        De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 9 april 2026 krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag. De Afdeling vindt het passend dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit toetst en dat daartegen hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.        verwijst het beroep tegen het besluit van 9 april 2026, […] , naar de rechtbank Den Haag;
III.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026
1028