ECLI:NL:RVS:2026:3078
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf en afwijzing schadevergoeding redelijke termijn
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke bij besluit van 26 oktober 2022 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Hiertegen is bezwaar gemaakt, dat op 18 juni 2025 opnieuw ongegrond werd verklaard. Vervolgens heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 17 februari 2026 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming, en bevestigt daarom het vonnis van de rechtbank zonder nadere motivering.
Daarnaast verzocht appellant om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling stelt vast dat de redelijke termijn voor deze procedure, bestaande uit bezwaar en twee rechterlijke instanties, maximaal vier jaar bedraagt. Aangezien het bezwaarschrift op 15 november 2022 werd ontvangen en de uitspraak op 1 juni 2026 is gedaan, is de termijn nog niet overschreden. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.