Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3080

Raad van State

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
202502238/3/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen lid van de meervoudige kamer Raad van State wegens vermeende vooringenomenheid

Tijdens de zitting op 8 mei 2026 verzocht verzoeker om wraking van staatsraad G.O. van Veldhuizen, lid van de meervoudige kamer belast met de zaak 202502238/1/A3. Verzoeker baseerde zijn wrakingsverzoek op het feit dat hij en de staatsraad veertig jaar geleden lid waren van dezelfde studentenvereniging en dat er een incident was met een hamer die zoekgeraakt zou zijn, hoewel dit incident slechts ter illustratie diende.

De staatsraad berustte niet in het wrakingsverzoek en gaf een schriftelijke reactie waarin hij stelde geen herinnering te hebben aan het incident met de hamer en dat het lidmaatschap van dezelfde studentenvereniging geen reden tot wraking vormt. De Afdeling behandelde het verzoek op 26 mei 2026 en concludeerde dat het enkele feit van het lid zijn van dezelfde studentenvereniging veertig jaar geleden onvoldoende is om de schijn van vooringenomenheid te rechtvaardigen.

Verzoeker had niet gesteld dat er meer dan terloopse contacten waren en gaf aan sinds de studententijd geen contact meer te hebben gehad met de staatsraad. De Afdeling oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een uitzondering op de veronderstelling van onpartijdigheid rechtvaardigen. Daarom wees de Afdeling het wrakingsverzoek af en bevestigde de onpartijdigheid van de staatsraad.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen staatsraad G.O. van Veldhuizen wordt afgewezen wegens onvoldoende grond voor schijn van vooringenomenheid.

Uitspraak

202502238/3/A3.
Datum beslissing: 28 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op het verzoek van:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
om toepassing van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Procesverloop
Tijdens de zitting op 8 mei 2026 heeft [verzoeker] verzocht om wraking van staatsraad mr. G.O. van Veldhuizen (de staatsraad) als lid van de meervoudige kamer belast met de behandeling van de zaak nr. 202502238/1/A3.
De staatsraad heeft niet in de wraking berust.
De staatsraad heeft een schriftelijke reactie gegeven.
De Afdeling heeft het wrakingsverzoek ter zitting behandeld op 26 mei 2026, waar [verzoeker] is verschenen. De staatsraad heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
Overwegingen
1.       Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 van Pro de Awb elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.       Als maatstaf geldt dat een staatsraad uit hoofde van zijn aanstelling wordt verondersteld onpartijdig te zijn en dat het aan de verzoeker is om aannemelijk te maken dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die een uitzondering op deze veronderstelling rechtvaardigen.
Verzoek om wraking
3.       [verzoeker] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij vreest dat de schijn bestaat dat de staatsraad niet onpartijdig kan oordelen in deze zaak. Op de zitting heeft [verzoeker] zijn wrakingsgrond nader toegelicht. Hij voert aan dat hij en de staatsraad 40 jaar geleden lid waren van dezelfde studentenvereniging. De staatsraad heeft destijds een hamer van hem gekregen bij het afbreken van een lustrumterrein in juli 1984. Die hamer is volgens [verzoeker] vervolgens zoekgeraakt en [verzoeker] en de staatsraad zijn toen een bedrag ter vergoeding overeengekomen en die is ook betaald. [verzoeker] verduidelijkt dat het incident met de hamer niet de kern van zijn verzoek vormt, maar ter illustratie dient. Het wrakingsverzoek is niet persoonlijk gericht naar de staatsraad. Het gaat [verzoeker] erom dat de schijn van vooringenomenheid is gewekt door het lid zijn geweest van dezelfde studentenvereniging, terwijl deze vereniging volgens hem al eerder negatief in het nieuws is geweest om vriendjespolitiek, en dat zij zelfs jaargenoten van elkaar zijn geweest. Volgens hem bestaat het gevaar dat anderen zullen denken dat de staatsraad om deze reden vooringenomen zal zijn.
Reactie van de staatsraad
4.       De staatsraad heeft er in zijn schriftelijke reactie op gewezen dat het lid zijn geweest van dezelfde studentenvereniging geen reden is tot wraking en dat hij geen herinnering heeft aan een niet teruggegeven, maar wel betaalde, hamer.
Beoordeling van het verzoek
5.       In wat [verzoeker] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de schijn van vooringenomenheid bestaat. Het enkele feit dat [verzoeker] en de staatsraad veertig jaar geleden jaargenoten waren van de studentenvereniging in kwestie is daarvoor onvoldoende. [verzoeker] heeft niet gesteld dat er destijds meer dan enkel terloopse contacten zijn geweest, zoals het voorval met de hamer illustreert. [verzoeker] heeft desgevraagd ter zitting voorts aangegeven dat er met de staatsraad geen enkel contact meer is geweest sinds de studententijd 40 jaar geleden. Er is dan ook geen sprake van een uitzonderlijke omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat de staatsraad een vooringenomenheid koestert jegens [verzoeker], of dat de vrees daarvoor objectief valt te rechtvaardigen.
Conclusie
6.       Gelet op het voorgaande, komt de Afdeling tot het oordeel dat [verzoeker] geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De Afdeling wijst het verzoek om wraking daarom af.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. M.J.M. Ristra-Peeters en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier.
w.g. Willems
voorzitter
w.g. Toonen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026
979