ECLI:NL:RVS:2026:3083

Raad van State

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
202502861/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.J.M. Ristra-Peeters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel na zorgvuldige leeftijdsbeoordeling

Appellant verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 30 januari 2025 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De kern van het geschil betrof de beoordeling van de minderjarigheid van appellant en de juistheid van de leeftijdsregistratie in Italië. De Raad van State overwoog dat de minister bij de leeftijdsbeoordeling een registratie uit een andere EU-lidstaat mag betrekken, maar zich niet kan beroepen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister moet uitgaan van het vermoeden van minderjarigheid, maar kan dit vermoeden ontzenuwen door zorgvuldig onderzoek.

De Raad van State oordeelde dat de minister dit onderzoek op zorgvuldige wijze had verricht en dat het oordeel van de rechtbank dat appellant niet aannemelijk had gemaakt minderjarig te zijn, terecht was. Er was geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel bevestigd.

Uitspraak

202502861/1/V2.
Datum uitspraak: 28 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 19 mei 2025 in zaak nr. NL25.5321 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 30 januari 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 19 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. W.C. Boelens, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Appellant klaagt in grief drie tot en met vijf over het oordeel van de rechtbank dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij zijn gestelde minderjarige leeftijd en de onjuistheid van de leeftijdsregistratie in Italië niet aannemelijk heeft gemaakt. De Afdeling heeft in onder meer haar uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992, onder 6.9 tot en met 7.3, overwogen dat de minister bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling een leeftijdsregistratie uit een andere EU-lidstaat mag betrekken, maar dat uit het Unierecht noch uit de rechtspraak van het Hof van Justitie kan worden afgeleid dat hij zich daarbij kan beroepen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft in die uitspraak ook overwogen dat, wanneer een vreemdeling stelt minderjarig te zijn, de minister moet uitgaan van het vermoeden van minderjarigheid en dat het vervolgens aan de minister is dat vermoeden te ontzenuwen. Daarbij heeft de Afdeling uiteengezet op welke wijze de minister, met toepassing van het nationale bestuursrechtelijke bewijsrecht en met inachtneming van wat daarover aanvullend in het Unierecht is bepaald, nader onderzoek kan doen om de gerezen twijfel over de gestelde minderjarigheid weg te nemen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister dat onderzoek in dit geval op zorgvuldige wijze heeft verricht en niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat appellant ten tijde van zijn asielaanvraag minderjarig was.
1.1.    Uit de vorengenoemde uitspraak volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. De grieven falen.
2.       Het hoger beroep leidt, ook voor het overige, niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift verder geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
3.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026
363-1088