ECLI:NL:RVS:2026:3111
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- J.M. Willems
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen intrekking verblijfsvergunning op grond van het Terugtrekkingsakkoord
Betrokkene, met de Thaise nationaliteit, kreeg in 2019 een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij haar toenmalige echtgenoot met de Britse nationaliteit. Na het beëindigen van het samenwonen en de echtscheiding trok de minister in december 2022 haar verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in, omdat zij niet meer samenwoonde met haar echtgenoot die naar Schotland was vertrokken.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en oordeelde dat het verblijfsrecht op grond van het Terugtrekkingsakkoord van rechtswege voortvloeit en niet afhankelijk is van een aanvraagprocedure. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het beginsel van formele rechtskracht en het vereiste van een constitutieve aanvraagprocedure niet juist heeft toegepast. Nederland hanteert een constitutief stelsel waarbij een aanvraag vereist is voor het verkrijgen van een verblijfsrecht op grond van het Terugtrekkingsakkoord. De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de minister ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.