ECLI:NL:RVS:2026:3135
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag
Verzoekers hebben bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen. Zij wilden voorkomen dat zij worden uitgezet voordat op hun hoger beroep tegen het niet in behandeling nemen van hun asielaanvraag is beslist, en vroegen om opvang en verstrekkingen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde, zal worden vernietigd. Daarbij werd meegewogen dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming op grond van de Dublinverordening en dat de overdrachtstermijn op 17 juni 2026 verstrijkt.
De voorzieningenrechter stelde dat de overdracht aan Duitsland geen onomkeerbare gevolgen heeft en dat verzoekers, indien Nederland alsnog verantwoordelijk wordt geacht, vanuit Duitsland kunnen worden teruggeleid. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en werd de minister niet verplicht proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt afgewezen.