Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3137

Raad van State

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.001795
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bewaring door minister van Asiel en Migratie na hoger beroep

Bij besluit van 27 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 3 april 2026 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling heeft de grieven van appellant beoordeeld en geoordeeld dat geen van de aangevoerde grieven aanleiding geeft tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling verwijst naar eerdere uitspraken en arresten van het Hof van Justitie die de motivering van de minister omtrent de bewaring ondersteunen. Tevens is geen reden gezien om prejudiciële vragen te stellen.

De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bewaring door de minister wordt bevestigd.

Uitspraak

BRS.26.001795
Datum uitspraak: 4 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 3 april 2026 in zaak nr. NL26.14606 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 27 februari 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 3 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. H. Drenth, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        De derde grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De vraag hoe de minister de zware gronden die aan de bewaring ten grondslag worden gelegd moet motiveren, heeft de Afdeling beantwoord in onder andere haar uitspraken van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, en 25 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3442.
1.1.        Uit deze uitspraken volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.        De eerste, tweede en vierde grief leiden evenmin tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.1.        In de eerste en vierde grief zijn geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punten 24 en 31).
2.2.        De door appellant in de tweede grief opgeworpen vraag over het verzenden van een aanvraag om een laissez-passer te verstrekken, raakt niet de rechtmatigheid van de bewaring. De beantwoording daarvan is dus niet nodig voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten Cilfit, punt 10, Consorzio Italian Management, punt 34, en Remling, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
3.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026
872