ECLI:NL:RVS:2026:314
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering vernietigd besluit machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 22 april 2022 aanvragen van betrokkenen om een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen afgewezen. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond op 21 juni 2024. De rechtbank Den Haag heeft op 10 december 2025 het beroep van betrokkenen gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.
De minister heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en tegelijkertijd verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft op 21 januari 2026 besloten dat de minister niet hoeft te voldoen aan de uitspraak van de rechtbank totdat het hoger beroep is afgerond.
De belangen van zowel de minister als de betrokkenen zijn afgewogen, waarbij de voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van de minister bij het uitstellen van de uitvoering zwaarder woog. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan in het openbaar en ondertekend door voorzieningenrechter M.J.M. Ristra-Peeters.
Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.