ECLI:NL:RVS:2026:3140
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag
Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 1 april 2026 niet in behandeling is genomen. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 1 juni 2026 het beroep ongegrond verklaarde. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Daarbij is meegewogen dat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming volgens de Dublinverordening bij Duitsland ligt. De overdracht aan Duitsland heeft geen onomkeerbare gevolgen, omdat verzoeker eventueel vanuit Duitsland kan worden teruggeleid naar Nederland indien Nederland alsnog verantwoordelijk wordt geacht.
Gelet op de belangen van beide partijen en het voorlopige oordeel, is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A. Kuijer op 2 juni 2026.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt afgewezen.