ECLI:NL:RVS:2026:3145

Raad van State

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
BRS.25.000854
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Luijendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 31, vijfde lid, Vw 2000Art. 91, tweede lid, Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel na onvoldoende motivering minister

De minister van Asiel en Migratie wees op 25 april 2025 de aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. Betrokkene stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 8 juli 2025 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De minister voerde aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld over de omkering van de bewijslast op grond van artikel 31, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De Raad van State oordeelde echter dat de rechtbank terecht had vastgesteld dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat de ernstige schade uit het verleden zich niet opnieuw zou voordoen.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waarbij de Raad van State de uitspraak van de rechtbank bevestigde met verbetering van gronden. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 5 juni 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

BRS.25.000854
Datum uitspraak: 5 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 8 juli 2025 in zaak nr. NL25.20176 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 25 april 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 8 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. H.J. Janse, advocaat in Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        In zijn enige grief betoogt de minister terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de omkering van de bewijslast op grond van artikel 31, vijfde lid, van de Vw 2000 niet heeft onderkend. Hoewel de minister de klacht in zoverre terecht voordraagt, slaagt de grief echter niet. De rechtbank heeft namelijk terecht geoordeeld dat de minister in zijn besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat de ernstige schade waaraan betrokkene in het verleden is blootgesteld, zich niet opnieuw zal voordoen.
1.1.        Het hoger beroep leidt ook voor het overige niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J. Luijendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Luijendijk
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026
282-1173