ECLI:NL:RVS:2026:3145
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Luijendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel na onvoldoende motivering minister
De minister van Asiel en Migratie wees op 25 april 2025 de aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. Betrokkene stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 8 juli 2025 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De minister voerde aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld over de omkering van de bewijslast op grond van artikel 31, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De Raad van State oordeelde echter dat de rechtbank terecht had vastgesteld dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat de ernstige schade uit het verleden zich niet opnieuw zou voordoen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waarbij de Raad van State de uitspraak van de rechtbank bevestigde met verbetering van gronden. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 5 juni 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.