Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3148

Raad van State

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
202601177/2/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:87 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing voorlopige voorziening inzake schorsing besluit op bezwaar minister van Financiën

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter op 13 mei 2026 een voorlopige voorziening getroffen waarbij de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 maart 2026 werd geschorst. Dit hield in dat de minister van Financiën geen nieuw besluit hoefde te nemen op het bezwaar van de wederpartij totdat de voorzieningenrechter hierover zou beslissen.

De minister had hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank, maar dit beroep had geen schorsende werking. Daarom verzocht de minister om uitstel voor het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar. De voorzieningenrechter had op 13 mei 2026 een ordemaatregel getroffen om dit verzoek te accommoderen.

Op de zitting van 28 mei 2026 troffen partijen elkaar en trok de minister zijn verzoek om de voorlopige voorziening in. Hierdoor verviel de aanleiding voor de schorsing. De voorzieningenrechter besloot daarom de voorlopige voorziening op te heffen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De voorzieningenrechter heft de voorlopige voorziening op waardoor de minister weer een nieuw besluit op bezwaar kan nemen.

Uitspraak

202601177/2/A3.
Datum uitspraak: 5 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake de opheffing (artikel 8:87, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht) van de uitspraak van 13 mei 2026, in zaak nr. 202601177/3/A3, getroffen voorlopige voorziening in het geding tussen:
de minister van Financiën
en
[wederpartij].
Procesverloop
Bij uitspraak van 13 mei 2026 in zaak nr. 202601177/3/A3 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 maart 2026 in zaak nr. 25/1419 geschorst en bepaald dat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen op het bezwaar van [wederpartij], totdat de voorzieningenrechter heeft beslist over de opheffing of wijziging van deze voorlopige voorziening.
Partijen zijn uitgenodigd om op zitting te verschijnen om te beoordelen of toepassing moet worden gegeven aan artikel 8:87, eerste lid, van de Awb.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld op de zitting van 28 mei 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. C.H. Mensink en mr. G.C. Verhagen, en [wederpartij] zijn verschenen.
Op de zitting heeft de minister het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken.
Overwegingen
1.       Ingevolge artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen.
2.       De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd en de minister opgedragen binnen acht weken opnieuw te beslissen op het bezwaar van [wederpartij]. De minister is het daar niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Het instellen van hoger beroep heeft geen schorsende werking. De minister heeft daarom ook de voorzieningenrechter verzocht om uitstel voor het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar.
3.       Omdat het verzoek van de minister niet binnen acht weken na de uitspraak van de rechtbank op zitting kon worden behandeld, heeft de voorzieningenrechter op verzoek van de minister de ordemaatregel getroffen op 13 mei 2026. Daarbij heeft de voorzieningenrechter betrokken dat op korte termijn, tijdens een zitting, kan worden bezien of aanleiding bestaat de bij die uitspraak getroffen voorlopige voorziening met toepassing van artikel 8:87 van Pro de Awb op te heffen of te wijzigen.
4.       Na onderling overleg tussen partijen heeft de minister zijn verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ingetrokken. Daarmee is de aanleiding om tot schorsing van de opdracht van de rechtbank over te gaan komen te vervallen. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding de getroffen voorlopige voorziening op te heffen.
5.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
heft de voorlopige voorziening, getroffen bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2026, in zaak nr. 202601177/3/A3, op.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.
w.g. Willems
voorzieningenrechter
w.g. Van Tuyll van Serooskerken
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026
290