ECLI:NL:RVS:2026:3184
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onderzoek rijvaardigheid na aanrijding voetganger ondanks vrijspraak strafrecht
Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) legde appellante op 8 mei 2024 een onderzoek naar haar rijvaardigheid op naar aanleiding van een mededeling van de politie over een aanrijding van een voetganger op een oversteekplaats. Appellante werd strafrechtelijk vrijgesproken door de politierechter op 18 februari 2025 van de ten laste gelegde aanrijding.
De rechtbank Den Haag oordeelde op 15 mei 2025 dat de vrijspraak het vermoeden van ongeschiktheid tot het besturen van een motorrijtuig niet wegneemt, omdat het strafrechtelijke vonnis onvoldoende aanknopingspunten biedt om af te wijken van de mededeling en het mutatierapport waarop het CBR het onderzoek baseert. De rechtbank vond dat het CBR terecht het vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid aan de mededeling mocht ontlenen.
In hoger beroep betoogde appellante dat het slachtoffer niet op het zebrapad stond en dat getuigen verklaarden dat het slachtoffer was gestruikeld. Ook stelde zij dat het letsel aanvankelijk gering was en dat de politie getuigen niet had gehoord. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgde het oordeel van de rechtbank en verwierp de bezwaren. De Afdeling bevestigde dat het CBR het vermoeden van ongeschiktheid mocht baseren op de mededeling en processen-verbaal.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot onderzoek rijvaardigheid wordt bevestigd.