ECLI:NL:RVS:2026:3198
Raad van State
- Hoger beroep
- W. den Ouden
- J.C.A. de Poorter
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag over 2006, 2009 en 2010
Deze uitspraak betreft het hoger beroep van een appellant tegen de weigering van de Dienst Toeslagen om compensatie toe te kennen voor de kinderopvangtoeslagjaren 2006 en 2009 tot en met 2011. De Dienst Toeslagen had bij besluiten van 18 augustus 2022 geen compensatie toegekend, omdat er geen sprake was van institutionele vooringenomenheid of onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van het stelsel.
De rechtbank oordeelde dat de Dienst Toeslagen niet vooringenomen had gehandeld over het toeslagjaar 2006, ondanks mogelijke overschrijding van de wettelijke beslistermijn. Voor de jaren 2009 tot en met 2011 was er geen sprake van bijzondere omstandigheden die een hardheid van het stelsel rechtvaardigen, mede omdat appellant geen kinderopvanguren had afgenomen en de terugvordering het gevolg was van een afwijking in het aantal uren.
In hoger beroep trok appellant de gronden over 2011 in, waardoor het geschil zich beperkte tot 2006, 2009 en 2010. Het betoog dat er sprake was van institutionele vooringenomenheid over 2006 werd verworpen, omdat de situatie van 2008 niet als relevante omstandigheid voor 2006 kon gelden. Ook het betoog over hardheid voor 2009 en 2010 faalde, mede omdat de Dienst Toeslagen aannemelijk maakte dat de schulden al voor de schone-lei-verklaring als oninbaar waren aangemerkt en dat er geen invordering na die verklaring had plaatsgevonden.
De Afdeling veroordeelde de Dienst Toeslagen tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant vanwege het late aanleveren van cruciale informatie. De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van compensatie voor de toeslagjaren 2006, 2009 en 2010 wordt bevestigd.