ECLI:NL:RVS:2026:320
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over verblijfsvergunning en artikel 8 EVRM
Appellant, een Nigeriaanse nationaliteit dragende derdelander met tijdelijke bescherming onder de Richtlijn tijdelijke bescherming, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie wees dit verzoek af en weigerde tevens ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond, vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
In hoger beroep betoogde appellant terecht dat de rechtbank ten onrechte aannam dat de afwijzing van de asielaanvraag geen inmenging in het privé- of gezinsleven oplevert zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro, omdat de tijdelijke bescherming voor derdelanders reeds op 4 maart 2024 was geëindigd. De rechtbank had onjuist de einddatum voor Oekraïense beschermden toegepast.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de rechtsgevolgen van het besluit in stand liet en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moet nemen waarin opnieuw wordt beoordeeld of de afwijzing van de asielaanvraag een schending van artikel 8 EVRM Pro oplevert. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beveelt een nieuwe beoordeling van de aanvraag verblijfsvergunning met inachtneming van artikel 8 EVRM.