AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging uitspraak rechtbank over verblijfsvergunning en artikel 8 EVRM
Appellant, een Nigeriaanse nationaliteit dragende derdelander met tijdelijke bescherming onder de Richtlijn tijdelijke bescherming, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie wees dit verzoek af en weigerde tevens ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond, vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
In hoger beroep betoogde appellant terecht dat de rechtbank ten onrechte aannam dat de afwijzing van de asielaanvraag geen inmenging in het privé- of gezinsleven oplevert zoals bedoeld in artikel 8 EVRMPro, omdat de tijdelijke bescherming voor derdelanders reeds op 4 maart 2024 was geëindigd. De rechtbank had onjuist de einddatum voor Oekraïense beschermden toegepast.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de rechtsgevolgen van het besluit in stand liet en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moet nemen waarin opnieuw wordt beoordeeld of de afwijzing van de asielaanvraag een schending van artikel 8 EVRMPro oplevert. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beveelt een nieuwe beoordeling van de aanvraag verblijfsvergunning met inachtneming van artikel 8 EVRM.
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 14 juli 2025 in zaak nr. NL25.7551 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 20 januari 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, geweigerd om hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en hem voorlopig uitstel van vertrek verleend in afwachting van de ambtshalve beoordeling of uitzetting krachtens artikel 64 vanPro de Vw 2000 achterwege moet blijven.
Bij uitspraak van 14 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E. Ebes, advocaat in Groningen, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. Appellant heeft de Nigeriaanse nationaliteit en hij had in Nederland als Oekraïense derdelander tijdelijke, facultatief verleende bescherming onder de Richtlijn tijdelijke bescherming. In hoger beroep gaat het niet meer om de afwijzing van zijn asielaanvraag. Deze procedure gaat over de vraag of de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat appellant evenmin in aanmerking komt voor een ambtshalve verleende verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 vanPro het EVRM.
2. Appellant betoogt in zijn enige grief terecht dat de rechtbank, bij het vaststellen van het motiveringsgebrek dat de minister heeft nagelaten bij het afwijzende asielbesluit ambtshalve aan artikel 8 vanPro het EVRM te toetsen, ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit in stand heeft gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat afwijzing van de asielaanvraag geen inmenging van het privé- of gezinsleven bedoeld in artikel 8 vanPro het EVRM oplevert, omdat appellant in ieder geval tot en met 4 maart 2026 tijdelijke bescherming heeft en Nederland niet hoeft te verlaten. De rechtbank is hierbij echter ten onrechte uitgegaan van de einddatum voor Oekraïners die verplichte tijdelijke bescherming ontvangen, zie artikel 1 vanPro Uitvoeringsbesluit (EU) 2024/1836. De facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders, zoals appellant, is op 4 maart 2024 van rechtswege geëindigd. Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829, onder 4. Appellant betoogt dus terecht dat de rechtbank ten onrechte de motivering van de minister heeft gevolgd dat de afwijzing van de asielaanvraag geen inmenging oplevert als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM, omdat hij nog tijdelijke bescherming zou hebben. De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij de rechtsgevolgen van het besluit van 20 januari 2025 in stand heeft gelaten. Dit betekent dat de minister een nieuw besluit moet nemen op de aanvraag van appellant waarin zij opnieuw beoordeelt of afwijzing van de asielaanvraag tot een schending van artikel 8 vanPro het EVRM leidt. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 14 juli 2025 in zaak nr. NL25.7551, voor zover zij de rechtsgevolgen van het besluit van 20 januari 2025, V-[…], in stand heeft gelaten;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.