ECLI:NL:RVS:2026:322
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning en inreisverbod
Appellant heeft bij besluit van 25 maart 2021 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke is afgewezen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Tevens is een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Na een bezwaarprocedure waarbij het bezwaar op 25 maart 2024 opnieuw ongegrond werd verklaard, heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank heeft bij uitspraak van 24 september 2025 het beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft vervolgens hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In het hoger beroep heeft appellant echter niet toegelicht waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn, waardoor de Afdeling geen inhoudelijk oordeel kon geven. Op grond van artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 is het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De Afdeling heeft tevens beslist dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer, onder voorzitterschap van mr. H.G. Sevenster, op 22 januari 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een gemotiveerd betoog.