ECLI:NL:RVS:2026:3231
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd door minister
Appellanten, bestaande uit twee personen en hun minderjarige kinderen, kregen bij besluit van 31 oktober 2024 de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken door de minister van Asiel en Migratie. Hiertegen maakten zij bezwaar, dat bij besluit van 23 juni 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellanten beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 23 februari 2026 het beroep eveneens ongegrond verklaarde.
Appellanten stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft de motivering van de rechtbank overgenomen en oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Ook zijn er geen vragen over Unierechtelijke bepalingen.
Daarom verklaart de Afdeling het hoger beroep ongegrond en bevestigt zij de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer onder voorzitterschap van mr. M.C. Stoové op 8 juni 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.