Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3231

Raad van State

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.001376
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd door minister

Appellanten, bestaande uit twee personen en hun minderjarige kinderen, kregen bij besluit van 31 oktober 2024 de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken door de minister van Asiel en Migratie. Hiertegen maakten zij bezwaar, dat bij besluit van 23 juni 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellanten beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 23 februari 2026 het beroep eveneens ongegrond verklaarde.

Appellanten stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft de motivering van de rechtbank overgenomen en oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Ook zijn er geen vragen over Unierechtelijke bepalingen.

Daarom verklaart de Afdeling het hoger beroep ongegrond en bevestigt zij de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer onder voorzitterschap van mr. M.C. Stoové op 8 juni 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

BRS.26.001376
Datum uitspraak: 8 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant 1] en [appellant 2], mede voor hun minderjarige kinderen
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026 in zaak nr. NL25.33018 in het geding tussen:
[appellant 1] en [appellant 2], mede voor hun minderjarige kinderen
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 31 oktober 2024 heeft de minister de aan appellanten verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, ingetrokken.
Bij besluit van 23 juni 2025 heeft de minister het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. W.N. van der Voet, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 6 tot en met 10 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.
w.g. Stoové
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Zwemstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026
91-1162