ECLI:NL:RVS:2026:3244
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- M. Den Heyer
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering rechtbankuitspraak inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel
Betrokkene diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 31 mei 2022 werd afgewezen. De rechtbank Den Haag schorste de behandeling van het beroep en vroeg het Hof van Justitie van de EU om prejudiciële vragen, die op 29 januari 2026 werden beantwoord.
Na beantwoording van de prejudiciële vragen stelde de rechtbank bij tussenuitspraak van 12 maart 2026 de minister in de gelegenheid een gebrek in het besluit te herstellen. Bij uitspraak van 20 april 2026 verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moet nemen.
De minister stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter oordeelde dat het hoger beroep nader onderzoek vergt en dat de belangen van partijen dit rechtvaardigen, en verleende de gevraagde voorlopige voorziening. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.