ECLI:NL:RVS:2026:326

Raad van State

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
202407015/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel voor Afghaanse vreemdeling

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, die op 12 november 2024 een aanvraag van een Afghaanse vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd had goedgekeurd. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had deze aanvraag eerder afgewezen op 31 juli 2024. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom de vreemdeling bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico op ernstige schade zou lopen. De minister ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak behandeld en geconcludeerd dat de minister terecht had betoogd dat er geen reëel risico op ernstige schade bestaat voor vreemdelingen die uit een westers land terugkeren naar Afghanistan. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de minister niet verplicht was om nader onderzoek te doen naar de risico's voor Afghaanse vreemdelingen die terugkeren uit Europa. De minister had zich ook terecht op het standpunt gesteld dat de individuele omstandigheden van de vreemdeling niet voldoende waren om aan te tonen dat hij bij terugkeer naar Afghanistan in gevaar zou komen.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer, onder leiding van voorzitter mr. C.M. Wissels, en is openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.

Uitspraak

202407015/1/V2.
Datum uitspraak: 21 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 12 november 2024 in zaak nr. NL24.30787 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 31 juli 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 12 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.J. Paffen, advocaat in Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       Betrokkene heeft de Afghaanse nationaliteit. Hij verblijft sinds 2015 in Nederland. Hij heeft aan zijn derde asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij niet naar Afghanistan kan terugkeren wegens de verslechterde veiligheidssituatie daar en de risico’s bij terugkeer uit het Westen en omdat zijn geloof zich sinds de vorige aanvraag heeft verdiept.
2.       De minister klaagt in haar enige grief over het oordeel van de rechtbank dat zij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene bij terugkeer in Afghanistan geen reëel risico op ernstige schade loopt wegens zijn verblijf in het Westen.
2.1.    In de uitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4648, onder 12 tot en met 12.2, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit informatie uit openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Vreemdelingen die vrijwillig terugkeren naar Afghanistan na een verblijf in het Westen, zijn daarom niet aan te merken als groep die een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister betoogt terecht dat zij geen nader onderzoek hoeft te doen naar de risico’s voor Afghaanse vreemdelingen die terugkeren uit Europa. De grief slaagt.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
4.       Betrokkene betoogt dat de minister zijn individuele omstandigheden niet in onderlinge samenhang heeft bezien. Hij voert aan dat hij in Afghanistan en Nederland turnles heeft gegeven aan vrouwen en dat hij hierdoor, in combinatie met onder meer zijn langdurige verblijf in het Westen, risico loopt bij terugkeer naar Afghanistan.
4.1.    Dit betoog faalt. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene met de door hem naar voren gebrachte omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade. Betrokkene was naar eigen zeggen in Afghanistan hoofdtrainer van het Olympisch turnteam van Herat. Maar dat betrokkene in Afghanistan aan een vrouw turnles heeft gegeven, heeft de minister in een eerdere procedure ongeloofwaardig geacht. Dat betrokkene in Nederland turnles geeft aan vrouwen, heeft de minister niet betwist. Dat neemt echter niet weg dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit in Afghanistan zal leiden tot problemen met de Taliban. De beroepsgrond slaagt niet.
5.       Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 12 november 2024 in zaak nr. NL24.30787;
III.      verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.I. van Kesteren, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Van Kesteren
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026
897-1143