ECLI:NL:RVS:2026:3260
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel na hoger beroep
Appellanten hebben bij besluiten van 14 november 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen. De rechtbank Den Haag heeft bij uitspraak van 20 maart 2026 het beroep van appellanten tegen deze besluiten ongegrond verklaard.
Appellanten stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak, waarbij zij in algemene zin klaagden over de verenigbaarheid van het beoordelingskader voor de geloofwaardigheid van hun asielrelaas met het Unierecht. De Raad van State overweegt dat de rechtbank uitgebreid op deze bezwaren is ingegaan en dat appellanten het oordeel van de rechtbank dat hun verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, niet inhoudelijk betwisten.
De Raad van State ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, omdat de gestelde vragen niet noodzakelijk zijn voor de oplossing van de zaak. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt bevestigd.