Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3264

Raad van State

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
BRS.25.001307
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende bescherming tegen vrouwenbesnijdenis

De minister van Asiel en Migratie wees op 11 december 2024 de aanvragen van betrokkene 1 en betrokkene 2 om een verblijfsvergunning asiel af. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van betrokkenen gegrond en vernietigde het besluit, waarbij de minister werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

De minister stelde in hoger beroep dat betrokkene 2 bescherming kan inroepen van de Beninse autoriteiten, zoals eerder was geoordeeld voor betrokkene 1, die ouder is dan vijftien jaar en buiten de risicoleeftijd voor vrouwenbesnijdenis valt. De Raad van State oordeelde dat dit standpunt onjuist is omdat betrokkene 2 binnen de risicoleeftijd valt en de minister dit niet had betrokken in zijn besluit.

Het hoger beroep bevatte geen vragen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin, noch over Unierechtelijke bepalingen. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 934,00 aan betrokkenen.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep van de minister af.

Uitspraak

BRS.25.001307
Datum uitspraak: 9 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 9 september 2025 in zaken nrs. NL24.50513 en NL24.50514 in het geding tussen:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 11 december 2024 heeft de minister aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 9 september 2025 heeft de rechtbank de daartegen door betrokkenen ingestelde beroepen gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. R.J.J. Flantua, advocaat in Amersfoort, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkenen geen reëel risico lopen op ernstige schade wegens vrees voor vrouwenbesnijdenis, omdat zij de bescherming kunnen inroepen van de Beninse autoriteiten. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, heeft in haar uitspraak van 22 april 2021 in zaak nr. NL20.21934, die kracht van gewijsde heeft, geoordeeld dat betrokkene 1 deze bescherming kan inroepen. Zij heeft daarbij betrokken dat betrokkene 1 ouder is dan vijftien jaar en dus niet binnen de risicoleeftijd voor vrouwenbesnijdenis valt. Maar die uitspraak gaat niet over betrokkene 2, de dochter van betrokkene 1, want zij was toen nog niet geboren. De minister heeft zich in het besluit van 11 december 2024 niet, onder verwijzing naar die uitspraak, op het standpunt mogen stellen dat betrokkene 2 de bescherming van de Beninse autoriteiten kan inroepen, zonder daarbij te betrekken dat betrokkene 2 wel binnen de risicoleeftijd voor vrouwenbesnijdenis valt.
1.1.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkenen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026
941-1162