ECLI:NL:RVS:2026:3270
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding immateriële schade na onrechtmatige ongeldigverklaring rijbewijs door CBR
Het hoger beroep betreft een geschil tussen appellant en het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) over een verzoek tot vergoeding van immateriële schade. Het CBR had op 1 augustus 2023 het rijbewijs van appellant ongeldig verklaard, wat later onrechtmatig werd geoordeeld nadat de rechtbank Rotterdam op 19 februari 2024 het beroep van appellant gegrond verklaarde. Het CBR trok daarop het besluit in.
Appellant vorderde een vergoeding van € 15,00 per dag voor de periode van 29 augustus 2023 tot en met 27 februari 2024 wegens immateriële schade. De rechtbank Rotterdam wees dit verzoek af, en appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling bevestigt het oordeel van de rechtbank dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk immateriële schade heeft geleden door het onrechtmatige besluit. Er is geen objectieve medische onderbouwing van psychische schade en ook is het niet aan het CBR te wijten dat er nieuws over de aanhouding van appellant in zijn woonplaats bekend werd. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van daadwerkelijk geleden schade.