Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3272

Raad van State

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
202504169/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 AwbWet op de huurtoeslagAlgemene wet inkomensafhankelijke regelingenWet algemene bepalingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van nihilstelling en terugvordering huurtoeslag op grond van te hoog vermogen

Het hoger beroep betreft de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 juni 2025, waarin de beroepen van appellant tegen besluiten van de Dienst Toeslagen uit 2023 ongegrond zijn verklaard. De Dienst Toeslagen had de huurtoeslag over de jaren 2021 en 2022 vastgesteld op nul en het teveel betaalde voorschot met rente teruggevorderd, omdat uit de Basisregistratie Inkomen bleek dat het vermogen van appellant boven de wettelijke grens lag.

De rechtbank oordeelde dat de Dienst Toeslagen op goede gronden de huurtoeslag op nihil had gesteld, aangezien er geen wettelijke uitzondering geldt voor de situatie van appellant. De rechtbank kon de besluiten niet toetsen aan algemene rechtsbeginselen omdat de omstandigheden door de wetgever waren betrokken in de wettelijke regeling.

De Afdeling bestuursrechtspraak onderschrijft dit oordeel en wijst het hoger beroep af. De rechter mag niet treden in de belangenafweging die de wetgever bij de totstandkoming van de wet heeft gemaakt. De terugvordering wordt niet gematigd en de Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de huurtoeslag blijft gehandhaafd.

Uitspraak

202504169/1/A2.
Datum uitspraak: 2 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 juni 2025 in zaaknummers 23/5064 en 23/7726 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Dienst Toeslagen.
Openbare zitting gehouden op 2 juni 2026 om 11:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer
griffier: mr. J.S. de Jong
Verschenen:
Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B].
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 12 juni 2025 van de rechtbank Rotterdam waarbij de rechtbank de beroepen van [appellant] tegen het besluit van 12 juni 2023 en het besluit van 19 oktober 2023 ongegrond heeft verklaard.
Beslissing:
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Motivering:
1.       In het besluit van 4 maart 2023 heeft de Dienst Toeslagen de huurtoeslag van [appellant] over het toeslagjaar 2021 vastgesteld op € 0,00 en het teveel betaalde voorschot inclusief rente van € 3.848,00 van hem teruggevorderd. In het besluit van 11 augustus 2023 heeft de Dienst Toeslagen de huurtoeslag van [appellant] over het toeslagjaar 2022 vastgesteld op € 0,00 en het teveel betaalde voorschot inclusief rente van € 3.763,00 van hem teruggevorderd. Aanleiding voor de nihilstelling en de terugvordering is de informatie die de Dienst Toeslagen heeft ontvangen vanuit de Basisregistratie Inkomen (BRI), waaruit blijkt dat de zogenoemde rendementsgrondslag van [appellant] te hoog is. In de besluiten van 12 juni 2023 en 19 oktober 2023 heeft de Dienst Toeslagen de bezwaren van [appellant] tegen deze besluiten ongegrond verklaard.
2.       De rechtbank heeft, samengevat, geoordeeld dat de Dienst Toeslagen op goede gronden de huurtoeslag van [appellant] voor de toeslagjaren 2021 en 2022 op nihil heeft gesteld. Uit de BRI-gegevens blijkt dat het vermogen van [appellant] voor de betreffende jaren boven de wettelijke vermogensgrens ligt, wat betekent dat door [appellant] geen aanspraak op huurtoeslag kan worden gemaakt. Er is voor de situatie van [appellant] ook niet met betrekking tot de vermogensgrens bij of krachtens wet een uitzondering gemaakt. De rechtbank kan niet aan algemene rechtsbeginselen toetsen, omdat de omstandigheden die [appellant] heeft aangedragen door de wetgever zijn betrokken in zijn afweging bij de totstandkoming van de wet. De door [appellant] aangedragen omstandigheden vormen verder ook geen aanleiding om de terugvordering te matigen.
3.       Anders dan [appellant] heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Dienst Toeslagen de huurtoeslag van [appellant] over de toeslagjaren 2021 en 2022 terecht op nihil gesteld heeft. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de bestuursrechter geen ruimte heeft om te oordelen dat de wettelijke bepalingen waaruit de nihilstelling volgt niet zouden moeten worden toegepast, omdat de omstandigheden waar [appellant] naar verwijst zijn verdisconteerd in de afweging die de wetgever heeft gemaakt bij de totstandkoming van de Wet op de huurtoeslag en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Voor zover [appellant] betoogt dat de wetgever tot een onjuiste wettelijke regeling is gekomen, is verder van belang dat uit de Wet algemene bepalingen volgt dat de rechter niet mag treden in de belangenafweging die de wetgever bij de totstandkoming van de wet in formele zin heeft gemaakt.
Het betoog slaagt niet.
4.       Het hoger beroep is ongegrond. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Jong
griffier
1014